Veranderingswetenschappen van de koude grond II

By 23 november, 2020Overig

Ik zal uitleggen waarom ik die agent zo’n gehaktbal vond. Dan heb ik dit gelijk van mij afgeschreven. Ben ik het kwijt. Hoewel, schrijvers die iets van zich af moeten schrijven, laat ik meestal op de boekenstapel liggen. Geen zin in dat uitvergroot jeugdsentiment. Ik kijk altijd vooruit, nooit terug. Weet niet hoe dat komt, zo zit ik nu eenmaal in elkaar.

Maar nu moet ik toch echt in therapie. Ik was namelijk zo kwaad op die pannenkoek, dat ik moet weten waar die woede vandaan komt. Luistert naar wat mij overkomen is.

Ik fiets netjes naast mijn vrouw aan de binnenkant van ons twee, omdat ik geen licht had en zij wel. Word ik toch aangehouden en op de bon geslingerd. Want ik had ook al geen identiteitsbewijs bij me.

Ja hoor eens, ik ben van 1957 en ben niet opgevoed met het idee dat ik mij overal en bij iedereen moet legitimeren voor wie ik ben. Als je er naar vraagt zeg ik gewoon mijn naam en adres. Zo doe ik dat al sinds mijn geboorte en ik ben niet van plan om dat te veranderen.

Maar alsof dat niet genoeg was voor een volle bak ergernis vraagt die bromsnor als betrof het een poppenkastuitvoering van Crime Scene Investigation: “U hoeft niet te antwoorden meneer, maar kunt u mij zeggen waarom uw licht het niet doet?” Ja grobbejanus, waarom zou dat licht het niet doen? Omdat het stuk is natuurlijk! Krijg toch wat.

Of ik de rest maar wilde gaan lopen. Hoe oud was ik verdomme toen mij dit mij door een diender voor het laatst werd gesommeerd? Zestien meneer, zestien jaar oud! En nu moest ik weer de stoep op van die satéboer. Belachelijk! Man wat was ik kwaad.

“Doe het nou maar,” maant mijn vrouw mij, “die lui draaien dadelijk weer om, om te controleren of je echt wel bent afgestapt.” Ook dat nog, vroeger stapte je de volgende straat gewoon weer op je fiets. Had je toch een beetje het gevoel je gram te hebben gehaald. Weerhoudt mijn vrouw mij daarvan. Nog een die mij tot een lullo reduceert.

Maar waarom was ik nu zo kwaad? Ergens herkende ik die heftige reactie niet bij mijzelf. Wat had mij toch zo ontstemd gemaakt? Zou het de onmacht zijn, het toontje van de agent of de ultieme kleinering die mij uit het lood had geslagen? Hoe lang ik ook nadacht, ik kon mijn emotie niet thuisbrengen.

En toen – we waren bijna thuis – wist ik het opeens. Er had iets aan ontbroken. De agent had mij niets verteld over het WAAROM. Hij was mij vergeten uit te leggen waarom hij bovenop zijn gaspedaal was gaan staan toen hij mij zonder licht zag rijden. Dat hij bijvoorbeeld bij een ernstig ongeval was geroepen, waarbij een jong meisje was verongelukt. De automobilist had haar niet gezien, want ze reed daar zonder licht. Dat hij zich toen had voorgenomen heel fietsend Nederland te dwingen om ’s avonds de weg op te gaan met licht. ‘Want weet u, ik heb ook twee kleine meiden thuis.’ Dat hij mij daarom een bon gaf, ‘de hoogst mogelijke meneer, dat mag u best weten’, omdat als oude mannen als u niet het goede voorbeeld geven, uw kleinkinderen niet zullen begrijpen waarom zij licht op hun fiets moeten hebben.

Toen ik mij het zo voorstelde, begreep ik het.

Vergeet daarom nooit als je op missie gaat, strategisch of operationeel, het WAAROM ervan aan anderen duidelijk te maken. Keer op keer op keer. Anders scoor je alleen maar ergernis en verandert er geen moer.

Werk ze,

Rolf Baarda

P.S. Mochten ze me missen, ik ben even naar de fietsenmaker.

Leave a Reply